Solitaire bijen
Wilde Bijen zijn niet, zoals sommige mensen denken, verwilderde honingbijen. Het is een verzamelnaam voor solitair levende bijen en hommels. De levenswijze verschilt grondig van die van de honingbij. Bij de solitaire bijen heeft elk vrouwtje een eigen nestholte waarin ze eitjes legt. De levenswijze van de hommels lijkt al iets meer op die van de honingbij. De hommelkoninginnen bouwen in het voorjaar een kolonie op met werksters en darren. Maar de koninginnen overwinteren wel solitair. De honingbij daarentegen leeft het hele jaar door in een kolonie met één koningin en een groot aantal werksters.

Levenscyclus
Solitaire bijen zijn slechts enkele maanden actief op een jaar. In die periode gaat elk vrouwtje op zoek naar een geschikte nestplaats. De meeste soorten graven een gangetje in de grond. Een derde van de solitaire bijen zoekt bestaande holten in hout, stengels of tussen stenen. Wanneer de nestholte gegraven of goedgekeurd is, begint het vrouwtje met een aantal foerageervluchten. Daarbij wordt stuifmeel verzameld dat achteraan in de nestholte wordt opgestapeld. Wanneer voldoende stuifmeel is verzameld, legt het vrouwtje er een eitje op. Hiervoor wordt dan een wand gebouwd van modder en speeksel, zodat er een cel ontstaat. Daarna wordt alles herhaald tot de holte volgebouwd is met cellen. De solitaire bij meet altijd eerst de lengte van een cel en bouwt dan een drempel op de plek waar de volgende wand moet komen. Daarna wordt het stuifmeel aangevoerd en het eitje gelegd, om tot slot de drempel uit te bouwen tot een gesloten wand.

In de voorste cellen worden onbevruchte eitjes gelegd, hieruit zullen de mannetjes komen. De opening vooraan wordt afgesloten met een stevige mengeling van speeksel met modder, plantenmateriaal of zand, zodanig dat het broed goed beschermd is. In de cellen ontwikkelen de eitjes zich tot larven die zich voeden met het stuifmeel. Zodra het stuifmeel op is spinnen de meeste soorten een cocon. Daarin gaan ze over van het larvaal stadium tot een pop en vervolgens tot de volwassen bij. Deze gedaanteverwisseling duurt een aantal maanden en afhankelijk van de soort overwinteren ze als pop of reeds als volwassen bij. In het volgend voorjaar komen dan eerst de mannelijke bijen uit het nest gekropen. Deze wachten bij de nestplek tot de vrouwtjes uitkomen die dan meteen bevrucht worden. Speciaal aan deze levenswijze is dat de solitaire bijen dus nooit hun nageslacht zien, want de volwassen bijen sterven zodra voldoende nesten belegd zijn. Er zijn wel een aantal soorten waarbij de bijen twee generaties op een jaar hebben. Daarbij wordt de eerste levenscyclus snel doorlopen zodat nog een tweede cyclus kan worden aangevat die dan de bijen in het voorjaar zal voortbrengen. Behalve de strikt solitaire levenswijze bestaan ook nog enkele andere levensvormen. Bij sommige soorten liggen de nestplaatsen zodanig dicht bijeen dat het lijkt alsof het over een echt bijenvolkje gaat. Andere soorten gebruiken zelfs dezelfde nestingang. Maar toch leggen de vrouwtjes altijd hun eigen eitjes in een verschillende gang.

Omdat solitaire bijen vooral stuifmeel verzamelen en nectar bijna alleen gebruiken voor de eigen energievoorziening zijn het veel betere bestuivers dan de honingbij. Honingbijen durven de bloemen vaak te beroven van hun nectar zonder daarbij de meeldraden aan te raken. Slechts een klein percentage van de door honingbijen bezochte bloemen wordt daadwerkelijk bestoven, terwijl de solitaire bijen bij bloembezoek voor 97% bestuiving zorgen. Hierdoor is één solitaire bij op het vlak van bestuiving equivalent aan 120 werksters van honingbijen. Bijen hebben zich erop toegelegd om stuifmeel als belangrijkste voedselbron voor hun broed aan te wenden. Daardoor is het voor de bijen zeer belangrijk om op een zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk stuifmeel naar het nest te kunnen brengen met zo weinig mogelijk energieverbruik. Dit is in de evolutie een zeer belangrijke selectiedruk geweest en heeft er voor gezorgd dat er nu een aantal bijen voorkomen met verschillende methoden om pollen te verzamelen en te transporteren.

Kropverzamelaars
 De meest primitieve vorm om stuifmeel te verzamelen is die waarbij het stuifmeel met nectar wordt ingeslikt en in de maag naar het nest wordt gebracht. Hierbij kan de nectar, die voor de eigen energie van de bij zorgt, niet gescheiden worden van de pollen die dienen als voedsel voor de larven. Door de kleine maaginhoud is het ook niet mogelijk om veel stuifmeel per keer te transporteren. Deze transportmanier is het minst voordelig en tijdens de evolutie zijn bijensoorten ontstaan met speciale beharing: buikverzamelaars en beenverzamelaars.

Buikverzamelaars
Tot deze groep behoren de Bladsnijderbijen. Zij hebben op de onderkant van het achterlijf lange haren waartussen heel wat stuifmeel kan verzameld worden. We spreken van een buikschuier. In het nest wordt het stuifmeel met de achterpoten losgekamd en opgestapeld.

Beenverzamelaars
Veel bijenfamilies hebben aangepaste beharing op de achterste poten om stuifmeel te transporteren. De Pluimvoetbij Dasypoda plumipes is daardoor goed te herkennen aan de zeer sterk behaarde achterpoten. Korfverzamelaars De grootste specialisatie komt voor bij de honingbij en de hommels. Zij verzamelen het stuifmeel dat vermengd wordt met nectar in speciale pollenkorfjes op de achterpoten. Sommige hommelsoorten kunnen hiermee tot 60 mg pollen transporteren. Dit is ongeveer de helft van hun lichaamsgewicht.